Ventilatie installeren & inregelen: de 6 meest gemaakte fouten

Ventilatie inregelen en de meeste voorkomende fouten

1. De droogsifon is (niet goed) toegepast

Stipt op nummer 1 staat het niet, of niet goed toepassen van een droogsifon. Pas je bijvoorbeeld een standaardsifon toe in plaats van een droogsifon? Of plaats je de droogsifon aan de kant van de toevoerlucht in plaats van de afvoerlucht? Dan blijft condenswater wat met de lucht uit de woning afgezogen wordt, in de WTW-unit staan.

Dit kan rampzalige gevolgen hebben: denk aan lekkage, kortsluiting en ernstige beschadiging van de ventilatie-unit. Doordat condensatie voornamelijk optreedt in de winter, wordt deze installatiefout soms pas maanden later ontdekt. Controleer dus altijd voor je begint met inregelen of er een droogsifon is toegepast en of deze aan de juiste kant van de ventilatie-unit is aangesloten.

2. Geluiddempers ontbreken

Op plek 2 van meest gemaakte fouten is het ontbreken van geluiddempers. De regelgeving bepaalt dat het geluid van een ventilatiesysteem in een verblijfsruimte nooit 30 dB(A) mag overschrijven. Ga je inregelen zonder dat er geluiddempers zijn toegepast? Dan wordt het behalen van dit lage geluidsniveau een hele uitdaging. Maak het jezelf daarom makkelijk en creëer maximaal wooncomfort door geluiddempers toe te passen.

3. Inregelen met alleen de ventielen

Een veelgemaakte fout bij het inregen van het ventilatiesysteem is de start bij de ventielen. De echte start hoort namelijk bij de ventilatie-unit zelf te liggen. Ter illustratie: je gaat inregelen bij een woning waar 200 m³/h behaald moet worden.

Bij het meten van de totale luchthoeveelheid blijkt er 300 m³/h de woning in te komen. Wat veel installateurs doen, is het ‘smoren’ (dichtdraaien) van de luchtventielen tot de 200 m³/h wordt gemeten. In de praktijk betekent dit dat niet het totale luchtdebiet wordt verminderd. In tegendeel: de ventilatie-unit doet extra hard z’n best om de lucht door de kleine spleet te drukken die overblijft in de ventielen. Het gevolg? Comfortklachten als geluid en tocht.

De juiste stap die bij een te hoog debiet moet worden ondernomen, is het terugschroeven van het debiet op de ventilatie-unit. Dit brengt naast comfort voor de eindgebruiker, ook energiebesparing met zich mee.

4. Meten met de ventielen deels dicht

Voor je de hoeveelheid lucht per verblijfsruimte gaat inregelen, moet je het totale luchtdebiet voor de woning op orde hebben. Daarvoor moet je meten. Dat brengt ons op fout nummer 4: meten met de ventielen deels dicht.

Om comfortklachten te voorkomen en het energieverbruik van het ventilatiesysteem optimaal te houden, is het van belang om de ventielen niet onnodig ver dicht te hebben staan. Een ‘gesmoord’ ventiel verhoogt namelijk de luchtweerstand. Zorg daarom dat alle ventielen volledig openstaan, voor je het totale luchtdebiet gaat meten en instellen.

5. Het verste ventiel is gesmoord

Is het ventiel dat het verste weg is van de ventilatie-unit (gedeeltelijk) gesmoord? Dan heb je waarschijnlijk de ventilatie-unit onnodig hard staan. Dit maakt het ventilatiesysteem minder zuinig en minder stil.

Voorkom deze fout door te beginnen met inregelen met alle ventielen open, waarbij je het totale luchtdebiet aanpast op de ventilatie-unit. Als het goed is, houd je na het instellen van de andere ventielen precies genoeg lucht over voor de laatste ruimte.

6. Er zijn plooibochten toegepast

De zesde, meest gemaakte fout is het toepassen van plooibochten. Veel installateurs willen kosten besparen door geplooide bochten toe te passen in plaats van gladde bochten. De lucht die door de bochten heengaat zal botsen tegen de plooien. Dit zorgt voor extra weerstand waardoor de ventilatie-unit harder moet draaien. Dit resulteert in meer geluid en hogere energiekosten. Niet ideaal dus! Hetzelfde gebeurt wanneer een geluiddemper in een rare bocht wordt gewrongen.

Pas dus gladde bochten toe en zorgt dat er voldoende ruimte is om de geluiddemper recht te monteren.

 

Bron: Zehnder